/
Ongecategoriseerd
13.01.2026
/4 min. readtime
Ontslagvergoedingen onder omstandigheden (extra) fiscaal belast
Een werknemer die een ontslagvergoeding ontvangt, kan deze op twee manieren laten uitkeren: contant middels een eenmalige bruto vergoeding of in de vorm van een stamrecht. Bij de eerste variant houdt de werkgever de verschuldigde loonbelasting in en wordt het netto equivalent van de ontslagvergoeding op de bank- of girorekening van de werknemer gestort. Bij de tweede optie wordt gebruik gemaakt van de stamrechtvrijstelling en kan de ontslagvergoeding bruto (en dus zonder inhoudingen) aan een verzekeraar of stamrecht B.V. worden uitgekeerd.
De staatssecretaris van financiën heeft onlangs besloten dat een ontslagvergoeding (en ook stamrechtconstructies) onder bepaalde omstandigheden als een VUT-regeling zal worden beschouwd. De ontslagvergoedingen (en dus ook stamrechtconstructies) zullen hierdoor met ingang van 1 januari 2006 door de fiscus worden beoordeeld of het hier niet een regeling vervroegde uittreding (VUT) betreft. Indien hiervan sprake is dient de werkgever over de vergoeding een eindheffing van 26% (en vanaf 2010 52%) te betalen aan de fiscus. Deze eindheffing kan door de werkgever NIET op de werknemer worden verhaald. De eindheffing kan, nu deze door de werkgever is verschuldigd dan ook niet in mindering worden gebracht op de eventuele ontslagvergoeding die aan de werknemer wordt uitgekeerd. Partijen kunnen natuurlijk wel anders overeenkomen.
Bij de beoordeling of er sprake van een ontslagvergoeding of een VUT regeling, waarover dus 26% aan de fiscus dient te worden afgedragen, zijn twee besluiten van de staatssecretaris relevant. Het eerste besluit van 26 mei 2005 gaat uit van een kwantitatieve benadering (hier wordt gekeken naar de hoogte van de vergoeding) en het tweede besluit van 8 december 2005 van een kwalitatieve benadering (hierbij wordt gekeken naar de reden van het ontslag). Beide besluiten zullen met ingang van 1 januari 2006 in werking treden. Bij de toetsing is de logische volgorde dat men eerst toetst aan de hand van de kwalitatieve benadering en vervolgens aan de hand van de kwantitatieve benadering.